Wintersporten in Scandinavië

Hoogtepunten van een tocht door winters Scandinavië

De stoeltjeslift Hafjelheis heeft ons afgezet op de top van de 1.200 meter hoge berg. Voor ons lonkt de Snarveien, een afdaling door de uitgestrekte bossen van Hafjell, en we kijken 200 kilometer ver weg over witte heuvels en bevroren meren (wat een mooi onderwerp was voor een “special education” project in America – klik op de link voor details) tot aan de nationale parken Rondane en Jotunheimen.

De vraag vooraf was: is er in Europa een redelijk alternatief voor wintersporters die met steeds meer angst en beven moeten afwachten of er in de skigebieden van Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Italië voldoende sneeuw ligt voor een fijne vakantie?

Het antwoord na zes dagen rondkijken in Zweden en Noorwegen: jazeker, als je tenminste niet naar het hoge noorden reist om van de ene après-skitent naar de andere te willen stuiteren. Ze zijn er wel, maar minder talrijk en bovendien is de prijs van het pilsje nog steeds aan de pittige kant, al heeft onze dure euro inmiddels wel een deel van het verschil weggeslurpt.

Minder jodelahitie dus tussen polderland en poolcirkel, maar wel een adembenemend wit bepoederd decor, óók in de dalen, én een opvallend breed aanbod voor wintersporters die meer willen dan skiën alleen.

Onze speurtocht in een cirkel van 200 kilometer rond Oslo begon in het Zweedse Branäs, een klein maar gemoedelijk skigebied in Noord-Värmland, waar de beperking van het bescheiden aantal skipistes wordt gecompenseerd door de schitterende omgeving, waarin je naar goed Zweeds gebruik als toerist zelfs kunt rallyrijden op ijs en sneeuw. En naturrlijk zijn de vertrouwde Husky’s ook ruimschoots van de partij.

Een stuk noordelijker zagen we in Idre Fjäll de steilste afdaling van Scandinavië (Chocken) en verder vooral een decor dat de sfeer uitademt van Rudolph the rednosed reindeer: houten hutten (met allemaal een eigen sauna) op een bergwand als enige tekens van leven, verder de ongerepte uitgestrektheid van de Scandinavische wouden. Huisjes, verscholen in een wonderschone witte wereld.

Sinds enkele jaren is er ook het Pernilla Wiberg Hotel, genoemd naar de beste skister van het land, die hier vroeger als kind al op vakantie kwam en voor tien procent eigenares is van het nieuwe bedrijf. Het hotel gokt op bedrijven die hun personeel willen laten bijtanken in stilte of de uitdaging willen laten aangaan van de Audi 4 wheel-testdrives op het meer beneden. Dit is typisch iets van hier. In het alpengebied zul je dit niet meemaken

Weer auto’s dus en daarmee is meteen een belangrijk verschil blootgelegd tussen Zweden en Noorwegen als wintersportbestemming: Speciale pistes. De Zweden gaan van oudsher prat op hun Volvo en Saab, koesteren hun rallyrijders en kijken niet op een snowscooter meer of minder. De Noren waren altijd de boeren waar de Zweden op neerkeken, totdat de olie op Noors grondgebied uit de grond begon te spuiten.

De Noren geven inmiddels financieel de toon aan in Scandinavië, maar wensen dat nog altijd niet te onderstrepen met gemotoriseerd machtsvertoon. Wat niet wil zeggen dat je in Noorwegen buiten de pistes als toerist geen snelheid kunt maken, zoals blijkt in Trsysil, met 27 liften en 65 kilometer geprepareerde pistes het grootste skigebied van Noorwegen.

Pal onder die pistes blaffen 36 husky’s om toeristen die ze gretig op sleeptouw willen nemen en verder is er een speciale piste voor snowbikes. Maar Hafjell is in dit rijtje toch echt de grootste aanrader. Niet alleen vanwege het uitzicht, maar ook door de ligging van de pistes (90 procent in de bossen) en vooral door de ligging van het dorp zelf: drie kilometer van de olympische bobsleebaan, waar je tot in de avonduren voor omgerekend 28 euro in een slee van schuimrubber vanaf kunt. En 15 kilometer van het oergezellige Lillehammer, hart van de leukste Olympische Winterspelen ooit. Wie nou niet van wintersport houdt kan beter naar het Mediterrane Montpellier vertrekken. Zeer de moeite waard.